Lezing Anna Tilroe – De ja-sprong – Schunck* Heerlen – 2011.02.01
Door de commercialisering van de kunstwereld is de positie van de onafhankelijke kunstkritiek in de knel geraakt. Aan de ene kant is haar invloed afgenomen door de opkomst van nieuwe spelers en nieuwe belangen en aan de andere kant is ze haar platform kwijt door de afhankelijke positie waarin kranten en kunsttijdschriften terecht zijn gekomen. Anna Tilroe beschrijft in haar boekje ‘De ja-sprong’ (Querido Amsterdam, 2010) de nieuwe situatie in de kunstwereld en geeft een aanzet om de onafhankelijke kunstkritiek nieuw leven in te blazen. Tijdens de lezing in Schunck* presenteert ze het verhaal van ‘De ja-sprong’ in het kort.
Anna Tilroe is een van de bekendste kunstcritica van Nederland en ze is groot geworden in een tijd dat de kunstcritici samen met de museumdirecteuren bepaalden wat goede kunst was en wat niet. De critici gaven hun visie op de betekenis, zeggingskracht en de kunsthistorische relevantie van kunstwerken. Ook functioneerden zij als bemiddelaar tussen kunstwereld en publiek. Nu, 15 jaar later, is de situatie veranderd en lijkt het er niet goed uit te zien voor de onafhankelijke kunstcritici. De vrije markt ideologie heeft de kunstwereld overgenomen en heeft de rol van de onafhankelijke kunstcriticus gemarginaliseerd. Er komen meer bezoekers dan ooit af op grote kunst manifestaties en er worden recordbedragen voor kunst betaalt, maar de rol van de kunstcriticus lijkt uitgespeeld. Anna wil een terugkeer van de onafhankelijke kunstkritiek en in haar lezing probeert ze haar invloed te herwaarderen. Het boekje, waar de lezing over gaat, is tot stand gekomen nadat ze, na jaren commentaar gegeven te hebben vanaf de zijlijn, nu zelf als curator gewerkt had in Sonsbeek. Tijdens haar curatorschap stond ze ineens midden in de kunstmarkt en ‘De ja-sprong’ is haar reflectie op deze (niet geheel positieve) ervaring. Ook de actualiteit van het kunstbeleid van de nieuwe regering speelt een rol in haar verhaal. De nieuwe regering wil het principe van de vrije markt toepassen op kunst. Dit is al langer het geval in Amerika, maar wij zijn het in Nederland niet gewend. We moeten hier nog onze positie bepalen: hoe gaan we hiermee om?
De lezing begint met een beeld van Wladimir Klitschenko, wereldkampioen boksen, die als curator van de Russische inzending voor de Biennale in Venetie optrad. Dit beeld is typerend voor de stand van zaken in de kunstwereld. Inhoudelijke achtergrondkennis, een kritische blik en onafhankelijke kritische geest zijn niet meer gevraagd in het systeem van waardebepaling in de huidige kunstwereld. Het enige dat lijkt te tellen is geld en roem. Kunst heeft altijd gefunctioneerd in een context van macht, geld en status, maar er was de afgelopen decennia een situatie van een machtsevenwicht tussen kunstenaars, musea, galeries en critici ontstaan. Maar het gaat in de huidige kunstmarkt niet meer alleen over mooie kunst maar ook over speculatie. Rijke particulieren en bedrijven gebruiken de kunst als investering om zoveel mogelijk winst te maken. Als gunstig bij-effect krijgen ze hier ook nog een status van goed-doeners bij en straalt er wat van de genialiteit van het scheppend vermogen van de mens vanuit de kunst op hen af. Als de kunstmarkt wordt bepaald door geld worden de hoofdrolspelers de superrijken van deze aarde. De nieuwste kunst is niet meer te zien in de publieke ruimte (musea) maar in de top galeries en privé musea. De kunst is zo duur geworden dat musea niet meer mee kunnen doen: ze kunnen hun collectie niet meer uitbreiden. Sommige musea kunnen goed als bedrijf functioneren en nog een rol spelen (MOMA in New York en TATE in London), maar de meeste musea lukt dat niet. Ook komt er steeds meer bemoeienis van rijke verzamelaars in de musea. Zij kunnen het museum financieel ondersteunen. Als ze zo hun werken uit hun privé collectie in een museum kunnen tonen is dat interessant, omdat museale status de waarde van de kunstwerken verhoogd. Het grote nadeel is dat deze rijke verzamelaars dit niet zonder voorwaarden doen. Als tegenprestatie voor hun donaties eisen ze wel inspraak. Zo komt de onafhankelijke kritische positie van de musea ernstig in het gedrang.
In een kunstwereld waar de vrije markt ideologie aan het werk is worden kunstenaars een merk. De aandacht verschuift dan van het kunstwerk naar de kunstenaar. Joseph Beuys was een van de eerste moderne kunstenaars die hier beroemd mee is geworden, maar nu is elke bekende kunstenaar een merk. Kunst is niet meer verheven, maar een bedrijf met medewerkers en de kunstenaar als marketing manager. Er zijn wel tegenbewegingen: de zogenaamde subversieven. Zij zetten zich af tegen het commerciële circuit met maatschappelijke betrokkenheid en theoretische onderbouwde tentoonstellingen. Maar ze gaan ten onder in het geweld van het spektakel van de commerciële kunstmarkt. Ze kunnen het verzet niet organiseren en hun invloed blijft beperkt tot een kleine groep geïnteresseerden. Ook buiten de kunst krijgen hun maatschappelijke betrokkenheid geen bedding. De spanning en relatie tussen de mainstream (het commerciële) en het subversieve wordt goed geïllustreerd door een prent van Dan Perjovschi. Deze toont twee figuren die met elkaar dansen. De ene figuur is de mainstream, de andere de alternatieven (subversieven). Het systeem van de kunstmarkt heeft beiden nodig. Zonder de kritische houding van de alternatieven heeft de kunst geen intellectuele waarde meer en daalt ook haar lange termijn commerciële waarde. Alleen spektakel en marketing is niet genoeg, dat weten de grote spelers op de kunstmarkt maar al te goed.

Prent van Dan Perjovsch
Hierdoor zijn er ook nieuwe spelers op in de kunstwereld toegetreden: de curator en de afhankelijke pseudo-kunstriticus. De curator heeft zich losgemaakt van het museum en werkt als freelance netwerker over de hele wereld. Hij werkt als co-producent van betekenis samen met de kunstenaar. Beeldende kunst is vaak zo onherkenbaar als beeldende kunst, dat ze in een kunst-context geplaatst moet worden om haar als zodanig te herkennen. Dit doet de curator. Betekenis wordt ook gecreëerd door een nieuw soort criticus, een criticus die niet onafhankelijk het werk becommentarieerd maar in opdracht van verzamelaars en galeries de werken in de context van het actuele discours plaatst.
Deze ontwikkelingen hebben invloed op de musea, de kunstenaars en de critici. De kunstgeschiedenis-lijn is niet meer relevant. Voorheen werd de ontwikkeling in de kunst gezien als een rechte lijn die de ontwikkeling aan geeft in opeenvolging van avant-gardes. Na Lyotard weten we dat die gedachte niet meer houdbaar is. De kunst ontwikkeld zich nu meer rhizomatisch: er gebeurt van alles tegelijk na het modernisme. Omdat de kunstgeschiedenis niet meer de waarde van kunst kan bepalen is er een machts-vacuüm ontstaan. De waardebepaling van kunst is veel persoonlijker geworden. Hierdoor konden de curators en de nieuwe, afhankelijke critici instappen. Als de waardebepaling subjectiever is, is het ook makkelijker om de waarde zo te bepalen dat dat goed uit komt voor de belanghebbenden. Het geld kan zo de waardebepaling inkopen. Ook de kunstpublicaties worden in toenemende mate gesponsord door galeries en andere kunstinstellingen. Hierdoor verliezen ook zij hun onafhankelijke positie. Als er nog onafhankelijke critici zijn die niet meedraaien in het commerciële systeem, dan hebben ze dus geen podium meer.

Anna Tilroe in Schunck* Heerlen: moet de onafhankelijke kunstkritiek haar laptop aan de wilgen hangen of niet?
De kans voor de onafhankelijke kunstkritiek zit hem in de geloofwaardigheid. Als alles gesponsord is verliest het discours zijn onafhankelijkheid en daarmee zijn geloofwaardigheid. Kunstkritiek als alleen nog het aankleden van de kunst met begrippen uit het actuele discours is op termijn niet houdbaar. Zonder alternatieve en kritische denkers verstart een cultuur in zelfbegoocheling en eigenwaan. Juist de opstandige geest is een creatieve geest. De onafhankelijke kunstkritiek moet opnieuw lijnen trekken om samenhang te creëren. De subjectiviteit moet gebruikt worden. Het gaat niet meer om zogenaamd objectief collectief duiden van kunst vanuit de kunstgeschiedenis maar om het aanspreken van de bezoeker op haar eigen beleving en hier een aanzet toe geven. Dit geld zowel voor de onafhankelijke kunstcritici als voor de musea. Het podium moet de onafhankelijke kunstkritiek op het Internet zoeken. Kunsttijdschriften en -periodieken kunnen niet meer onafhankelijk zijn door de grote hoeveelheid aan sponsoring (Artforum bestaat voor 75% uit advertenties). Op persoonlijke blogs en collectieven moet een hernieuwde stem voor het onafhankelijke kritische commentaar ontstaan. Mainstream en het alternatieve houden zo het systeem vitaal.
Er ontstaat wel een vreemde situatie als een kunstinstelling als Schunck* waartegen Anne Tilroe zich verzet in haar pamflet, diezelfde Anna Tilroe uitnodigt en bewierookt. Door de kritiek van Tilroe te omarmen en te institutionaliseren wordt de kritiek een beetje doodgeknuffeld, de angel wordt eruit gehaald. Schunck* kan zo tonen dat ze zelfkritiek accepteert en door de kritiek te faciliteren zegt ze dat ze haar belangrijk vindt voor het functioneren van het kunst-systeem. Er wordt door beide partijen niet inhoudelijk ingegaan op de consequenties van de kritiek voor de positie ten opzichte van elkaar, maar ze benadrukken liever de overeenkomsten in visie. Zo dansen ze met elkaar op het feest van de kunst zoals in de prent van Perjovsch. De posities in de kunstwereld moeten dan ook niet altijd even duidelijk uitgesproken worden, zodat de onafhankelijke criticus haar podium heeft en het kunstinstituut zich kan profileren als kritisch en open. Beide danspartners beseffen dat ze elkaar nodig hebben en moeten kritiek dan ook niet persoonlijk opvatten maar als onderdeel van het systeem.
Bovenstaande is mijn eigen samenvatting/vertaling van de lezing van Anna Tilroe, aangevuld met eigen interpretaties. De oorspronkelijke tekst van Anna Tilroe kunt u lezen in ‘De ja-sprong, naar een nieuwe vitaliteit in de kunst‘.


