Ok, the secret is out. Dit is de secret postcard van mij die verkocht is op de Secret Postcards Tentoonstelling in de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Curatoren Hester Alberdingk Thijm, Roel Arkesteijn, Bregje van Woensel en Anne van der Zwaag maakten de selectie van de kunstenaars (zie onder).
Er staat een tv op de grond. Op die tv is een man te zien met een groot kartonnen bord boven zijn hoofd. “Game over” staat er op het bord. Hij staat met zijn rug naar een kerk met een heel bijzondere klok (de Astronomische Klok in Praag). Om hem heen staan allemaal toeristen die naar de kerk kijken. Niemand kijkt naar de man. De man met het bord probeert een patroon te doorbreken. In dit werk van Robin Pourbaix zien we dat toeristen allemaal hetzelfde doen. Ze gaan naar dezelfde toeristische trekpleisters en maken dezelfde foto’s. Kunst gaat over het doorbreken van die patronen. Kunst wil je met andere ogen naar de wereld om je heen laten kijken. Van oudsher wil ze je gevoelig maken voor schoonheid. Marres gebruikt de wandelaar als metafoor om dit te illustreren in de gelijknamige tentoonstelling “De Wandelaar”.
Wandelen was vroeger een goedkope manier voor gezellen om op verschillende plekken ervaring in hun vak op te doen. Hieromheen ontstond een hele cultuur met regels en mores die men ‘Wandershaft’ noemde. Wandelen was toen louter functioneel. Tegenwoordig staat wandelen voor een bepaalde relatie tot je omgeving. Wandelen is een medium waardoor je het landschap op een specifieke manier ervaart. Er is een duidelijke link tussen wandelen door het landschap en kunst. De ervaring van het landschap is al heel lang een geliefde bron van inspiratie voor veel kunstenaars. Maar Marres gaat nog een stap verder in de vergelijking. Ze legt een link tussen de wandelaar en de kunstenaar door te stellen dat ze beiden buitenstaanders zijn die op hun eigen manier naar de wereld kijken. Ze hebben beiden als doel om schoonheid te ontdekken en te ervaren. De wandelaar en de kunstenaar zijn beiden de man met het bord voor de toeristische attractie van Pourbaix. Ze zeggen dat we even uit onze dagelijkse patronen van waarneming moeten stappen om zo opnieuw de schoonheid van het alledaagse te zien. Zo laat Bas Princen ons in de tentoonstelling onder andere de etherische verstilde schoonheid van een groep terreinwagen-liefhebbers met hun hobby in het landschap zien. En een andere kunstenaar toont ons op functionele foto’s de schoonheid van gewone huizen van gewone mensen in deze wereld van glossy architectuur foto’s.
Bij de tentoonstelling hoort ook een wandeling. Dit plaatst de kunst nog nadrukkelijker in de context van het leven. Ze legt de link tussen de white cube van de kunstruimte en de modder van het echte leven. De hele kunst-ervaring krijgt hierdoor een diepere lading. Het ervaren van schoonheid in de kunst neem je mee naar het wandelen in het Limburgs landschap en andersom. De wandelaar vindt in de kunstenaar een zielsverwant. De wandelaar neemt de esthetische blik van de kunstenaar mee naar buiten en de kunstenaar neemt het contact met de natuur mee naar zijn studio.
In het onlangs geopende Marres Kitchen krijgt het verhaal nog een diepere lading. Het goede eten in de prachtige tuin van Marres maakt er helemaal een ‘gesamtkunstwerk’ van. Een van de grootste kwaliteiten van scheidend directeur Guus Beumer is dat hij de kunst op steekhoudende wijze weet te verbinden aan die andere zaken die het leven mooi maken: in dit geval de natuur tijdens wandelingen en in de tuin van Marres, goed eten en goede boeken in de bookshop. Omdat deze visie door de hele programmering van Marres heen loopt stijgt Marres Kitchen uit boven het standaard museum cafe en wordt de koppeling van de tentoonstelling aan een wandeling geen flauw trucje. Het draagt allemaal bij aan de totaal-ervaring van schoonheid.
Links in beeld ligt een dode kangoeroe langs de weg: roadkill. Er komt een motorrijder in een zwart motorpak met zwarte helm en zwart vizier aanrijden op een zwarte racemotor. Hij stopt naast de dode kangoeroe in de berm. Hij stapt af zonder zijn helm af te zetten of zijn vizier omhoog te klappen en pakt de dode kangoeroe liefdevol op. Hij loopt er langzaam, met zijn rug naar de kijker, mee naar de andere kant van de weg. Onderweg kijkt hij af en toe bezorgd naar het dier in zijn armen en af en toe om zich heen. Halverwege de weg stopt hij even en gaat even door zijn knieën. Uiteindelijk loopt hij rechts het beeld uit. De kijker blijft verward achter: waarom zien we hier deze video over een dode kangoeroe?
De Australische opkomende sterkunstenaar Shaun Gladwell (in 2009 vertegenwoordigde hij Australië op de biënnale van Ventië) laat ons de hele tentoonstelling lang beelden zien die draaien, vertraagde beelden van stunts van breakdancers en Capoeira dansers, beelden die de zwaartekracht en de tijd tarten, beelden van kracht en behendigheid, beelden over de mens die zijn ruimte inneemt. Het lijkt de hele tijd over controle en kracht te gaan bij de b-boys, de gemotoriseerde voertuigen en de soldaten. In het gevecht tussen de mens en de elementen lijkt de mens telkens te winnen. Bij de ingang van de tentoonstelling is er zelfs iemand met een motor door een muur heen gereden zonder dat er enige schade aan de motor is. Wat is er dan aan de hand met die dode kangoeroe?
Ondanks alle beheersing die uit de acties in de andere video’s blijkt is de stuntman, de breakdancer, de vechtsporter en zelfs de soldaat verbonden met het dode dier langs de kant van de weg. De motorrijder is uiteindelijk net zo kwetsbaar als de kangoeroe. Af en toe rijden er grote zware vrachtauto’s door het beeld die ons eraan herinneren dat de kracht die de mens heeft gecreëerd ook zijn tol eist. Gladwell laat ons zien dat er een enorme schoonheid zit in de beheersing van en spelen met de elementen, maar dat er ook een duistere kant aan zit als het fout gaat.
Constant is Gladwell op zoek naar schilderachtige schoonheid in zijn video’s. Hij is dan ook opgeleid en begonnen als schilder. Door zijn video’s te vertragen krijgt de kijker, net als bij een schilderij, de tijd om te mediteren over de nuances van het beeld. Er is een video in de tentoonstelling in Schunck* die over het schilderen zelf gaat. De schilder pakt een leeg stuk karton en spuit er met verfbussen planeten en sterren op. Dit laat hij even aan de kijker zien en dan spuit hij het stuk karton helemaal zwart en gooit het aan de kant. Uiteindelijk kan het allemaal zinloos lijken. Je wijdt je hele leven aan het zoeken en creëren van schoonheid en soms is heeft het allemaal even geen zin. De kunst ligt dan net als de kangoeroe dood langs de weg.
De dood en de zinloosheid geven een compleet beeld van de schoonheid waar Gladwell naar op zoek is. Hij zoekt naar de schoonheid in een beweging zonder doel waarin de tijd lijkt stil te staan: oneindigheid als antwoord op Het Grote Einde. Ronddraaiende bewegingen zijn daarvan een uitstekend voorbeeld, maar in de tentoonstelling in Heerlen zien we dat er nog meer nutteloze bewegingen te bedenken zijn die het onvermijdelijke einde voor even op afstand houden.
Interceptor Surf Sequence, 2009
Storm Sequence, 2000
Tangara, 2003
De tentoonstelling van Shaun Gladwell, “Perpetual 360 sessions” is nog t/m 27.11.2011 te zien in Schunck* Heerlen.
Een voorbeeld van mijn eigen ’spinning’ video is hier te zien.
Richard Serra is famous for his huge abstract walk-in Cortensteel sculptures. In these works he creates a new, distorted sensation of space. His ‘drawings’, as he calls them, are not so well known. They consist of canvasses covered with a black tar-like paint that he cuts into large rectangular shapes. He determines their size and shape according to the space they occupy and then fixes them directly on the wall. He preferably covers the canvasses with the black paintstick in the space they are going to be exhibited. This is a tedious and painstaking work, but is allows him to get a feeling for the space while he is working on the pieces. With these black canvasses he interacts with the space, changing its spatial composition and experience. He draws in the space with his black shapes.
Some of his works are now [18.09.11 - 15.01.12] on display at the Bonnefanten museum in Maastricht together with works from Soll Lewitt, Robert Mangold and Bruce Nauman in an exhibition called ‘Extended Drawing’. My review of the exhibition will be available later on ZwartGoud.
These are three of the pictures I took last week at the ‘Out of Storage’ exhibtion in the Timmerfabriek in Maastricht. In the pictures you can see the three different areas of the exhibition.
Op dit moment is in Schunck* de tentoonstelling “Een i treurend om een punt” te zien. Met de expo wil het Heerlense cultuurpaleis de mogelijkheden en onmogelijkheden van de schilderkunst bevragen. Het gaat over schilderkunst zelf en haar relatie met andere media. Krijn de Koning is één van de kunstenaars van wie een werk is opgenomen in de tentoonstelling. Zijn werk bevindt zich op het raakvlak tussen schilderkunst, sculptuur en architectuur. Als onderdeel van de langer lopende reeks Ruby Tuesday lezingen gaf hij er een voordracht over in Schunck*.
Krijn de Koning maakt abstracte architectonische sculpturen waarbij het schilderen van vormen en kleuren een grote rol speelt. Met zijn werken onderzoekt hij de ervaring van ruimte en kleur. Hij speelt met de illusie van ruimtelijkheid die tweedimensionale vormen kunnen oproepen door ze met driedimensionale elementen te combineren in zijn werken. Er ontstaat vaak een boeiend spel tussen de echte ruimtelijke elementen en de geschilderde elementen die een ruimtelijkheid oproepen. Een goed voorbeeld is het werk van hem dat in de tentoonstelling is opgenomen. Het bestaat uit een ruimtelijke sculptuur van blauwe balken, die tegen een muur staat en die op die muur doorloopt in een schildering van blauwe balken, zodat het lijkt alsof de sculptuur doorloopt in de muur, of dat de muurschildering doorloopt in de ruimte.
In de loop van de tijd zijn de werken van Krijn de Koning steeds groter geworden. Hij gaat een directere relatie aan met de ruimte waarin de werken zich bevinden. Veel van zijn latere kunst kun je bijna niet meer zien als sculpturen die in een ruimte staan, maar eerder als sculpturale en schilderkunstige ingrepen in bestaande ruimtes. Hij is dan op zoek naar een manier om een andere concentratie in de omgeving te creëren, om je deze met andere ogen te laten bekijken. Door vaak hevige contrasten in vorm en kleur aan te brengen legt hij nog eens extra de nadruk op de ruimtelijkheid ervan waarin hij zijn werk aanbrengt. Dit doet hij door kleurvlakken, nieuwe wanden, verdikkingen van bestaande wanden of andere architectonische bestanddelen toe te voegen aan de werkelijke ruimte. Door zijn vorm- en materiaalgebruik lijken zijn installaties vaak op maquettes, maar dan op schaal 1:1.
Kleur is een belangrijk onderdeel van zijn werk. Zijn kleuren contrasteren vaak hevig met de omgeving waarin zijn werken staan. Hierdoor ontstaat een inkadering en nadruk op het bestaande. Maar kleur heeft ook zijn eigen ruimtelijke kwaliteiten; kleur schept ruimte. De ruimtelijke beleving kan door kleur juist heel anders worden. Door niet alleen kleur op de aanwezige wanden aan te brengen maar ook nieuwe kleurige architectonische elementen te introduceren geeft hij de kleur ook een dikte, een massa. Kleur is op zich vrij abstract, maar door kleur een massa te geven wordt het tastbaarder. Het idee van kleur uit de schilderkunst neemt hij hier mee naar het sculpturale en zelfs het architectonische. Hij maakt de kleur zelf ruimtelijk.
Het beeld van een ruimte ontstaat door de tekening en de kleur. Voor de ervaring van de illusie van perspectief, van diepte, is het standpunt heel belangrijk. Eén stap naar links of naar rechts en de hele tekening, het hele beeld van de ruimte verandert. Dit is duidelijk bij architectuurfotografie, maar is ook essentieel bij het fotograferen en het ervaren van het werk van Krijn. Tijdens de lezing toont hij foto’s van zijn werk. Die zijn genomen vanuit een bepaald standpunt waarbij zijn concept het beste overkomt. Vanuit een ander standpunt ziet zijn werk er weer heel anders uit. Dit was goed zichtbaar op die momenten waarin hij meer dan één foto van een bepaald werk liet zien. Dan kon je goed zien hoe het met de interactie van de platheid en ruimtelijkheid in zijn werk zit. Om zijn werk goed te ervaren heb je beweging nodig. Je moet er langs en er doorheen kunnen lopen.
Zijn voordracht in Schunck* was sterk en overtuigend. Hij raakte een aantal interessante concepten aan. In zijn kleinere werken werkt het idee van de illusie van de ruimtelijkheid door de vermenging van 2D en 3D goed. Schilderen en sculptuur lopen dan op een boeiende wijze in elkaar door. Ook zijn gebruik van kleur draagt bij aan de verwarring die ontstaat bij het waarnemen van het beeld. Maar als zijn werken zo groot worden dat het architectuur wordt wordt het een heel ander verhaal. Dan is er geen sprake meer van illusie van ruimtelijkheid en gaat de kleur ook een heel andere rol spelen. Krijn creëert op dat moment zelf de ruimtes en dan gaat het ineens over de ruimtelijke kwaliteiten van zijn ruimtes. De kleur werkt dan niet meer alleen als contrastkleur maar is mede bepalend voor de ruimtelijke ervaring. Ook de waarde van de kleur voor de vermenging van 2D en 3D is er dan niet meer. Zijn kleurgebruik in deze architectonische werken is duidelijk minder sterk. Je ziet dan ook dat hij bij dit soort werken ook vaker geen kleur gebruikt. Als je dan gaat kijken naar de ruimtelijke kwaliteiten van de ruimtes die hij creëert, dan zijn die een stuk minder interessant dan die van zijn kleinere werken. Bij de eerste gaat het om architectonische kwaliteiten en bij de tweede om sculpturale kwaliteiten. Als maker van sculpturen weet hij te overtuigen, maar als maker van architectuur een stuk minder.
This is our entry for the architectural competition “Top van Bischoff” organised by the BNA Kring Twente and the Architectuurcentrum Twente. On this project I collaborated with Remy Kroese. Our entry was part of the exhibition in the temporary town hall in Hengelo from 31.03.2011 – 06.05.2011. The theme of the competition was re-use, in this case the re-use of an existing building to create inner city living space on top of a shop. Our design is an ecological symbiont that protects and isolates the existing building and creates new green living space in the city. Below is an animation of the symbiont we designed to add to the existing department store.
In de duo-tentoonstelling van Jeroen van Bergen (1979) en Rik Meijers (1963) in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, worden we door twee zeer verschillende kunstenaars meegenomen naar de uithoeken van de menselijke geest. Van Bergen toont strakke architectonische sculpturen en Meijers morsige schilderijen van mensfiguren. In de contrasten tussen het werk van de beide in Maastricht werkende kunstenaars schuilt een verhaal over de overeenkomsten en verschillen tussen hen en daarmee ook een verhaal over de thema’s vernieuwing en concept uit moderne kunst van dit moment.
Als je de tentoonstelling binnenloopt zie je als eerste Jeroen van Bergens meest recente werk ‘toren compositie 003′. Het is een maquette van wit karton (de schaalverhouding 1:100) van een constellatie van vier organisch gevormde wolkenkrabbers. Het model doet denken aan de megalomane wolkenkrabbers die op dit moment verrijzen in rijke oliestaatjes als Dubai en Abu Dhabi. Naast dit model staan de houten kisten waar het model in opgeslagen kan worden. Bij andere werken worden de kisten als sokkel gebruikt. Door de kisten erbij te zetten en ze onderdeel te laten van de installatie lijkt het alsof de maquette net is uitgepakt of dadelijk meteen weer ingepakt wordt. Ook wordt er zo een spel gespeeld met het idee van gebouwen als beschermend omhulsel. De gebouwen waar de maquettes naar verwijzen beschermen de mensen, de kisten die naast de maquettes staan beschermen de maquettes tijdens opslag en transport en het geheel staat weer in een gebouw dat de installatie van maquettes en kisten beschermt.
In de zaal ernaast hangen werken van Rik Meijers. Ze houden het midden tussen schilderijen en collages. Naast verf en potlood gebruikt hij onder andere kurken van wijnflessen, dopjes van bierflesjes, veren, haren, vogelvoer en glasscherven. Met deze materialen ‘schildert’ hij veelal mensfiguren. Veel van die mensfiguren lijken een soort masker te dragen: medicijnmannen van oorspronkelijke natuurstammen. Flessendoppen en kurken worden gebruikt als versieringen op een manier waarop primitieve volken dat ook zouden doen. Het afval van alcoholconsumptie wordt gedragen als sieraad in de modderige, morsige portretten.
De tentoonstelling beslaat een hele vleugel van het museum. In de verschillende zalen zien we afwisselend werken van Van Bergen en Meijers. Ze tonen twee uitersten van het menselijk bestaan: de orde van de architectuur van Van Bergen en de chaos van de menselijke natuur in het werk van Meijers. De duo-tentoonstelling dreigt daarom uiteen te vallen in twee solo-tentoonstellingen die door elkaar gevlochten zijn. Maar naast de overduidelijke verschillen zijn er ook raakvlakken te vinden. Van Bergens vroege recht-hoekige koele werken worden in de loop van de tijd organische krottenwijken en stalagmieten. De chaotische figuren in het werk van Meijers worden veelal omgeven door een monochrome achtergrond die zorgt voor de nodige rust en organisatie. Er is nog iets van het iconische van zijn logo-schilderijen uit zijn academietijd te herkennen. In de orde van Van Bergen komt langzaam wat chaos en in de chaos van Meijers kun je orde en rust zien.
In moderne architectuur zit vaak een spanning tussen het esthetische, rationele ontwerp van de tekentafel en het echte, onberekenbare leven van de bewoners. In de menselijke natuur zit een spanning tussen de primitieve oerinstincten en de rationele ordening. Het mooie van de tentoonstelling in het Bonnefanten is dat de spanningen die in de kern van de werken van beide kunstenaars zitten, goed op elkaar aansluiten. Door de gemeenschappelijke kern van orde en chaos, ratio en intuïtie, natuur en cultuur leveren de werken samen een interessant beeld op. De mooiste momenten in de tentoonstelling zijn die waarin je werken van beide kunstenaars in je blikveld hebt. De architectuur en materiaalgebruik van de museumzalen speelt op die momenten ook mooi mee. De kunst van Meijers contrasteert sterk met de strakke witte museumzalen; de werken van Van Bergen zetten de kleuren en vormentaal van de museumzalen voort in allerlei variaties. Wanneer die verhoudingen bij elkaar komen ontstaat er binding in de tentoonstelling.
In tegenstelling tot de werken van Meijers is er bij Van Bergen een duidelijke ontwikkelingslijn te herkennen. Aan het werk van Meijers kun je niet goed zien of het vroeg of laat werk is. Hij is niet zo gebrand op het avant-garde ideaal van constante vernieuwing. Het werk van Van Bergen laat wel een duidelijke ontwikkeling zien. Hij is begonnen met een basiselement uit het Nederlands bouwbesluit (de minimum afmetingen van een toilet) waar hij op grote schaal (1:1, 1:2, 1:10) variaties op maakte. Door de grote schaalverhouding ogen veel van deze werken hoekig en abstract. Het zijn, plat gezegd, grote dozen met weinig geledingen. In zijn latere werken wordt de schaalverhouding steeds kleiner (1:50, 1:100, 1:1000) en ontstaan er meer mogelijkheden voor organische composities met veel geledingen. De schaal bepaalt dus in sterke mate het beeld en is dus een creatief middel voor Van Bergen geworden. Met zijn laatste werk zijn de bouwmodules een soort legoblokken geworden waar hij van alles mee kan bouwen. De vraag is dan ook wat hij nu van zijn bouwmodules gaat bouwen. Zijn werk is erg conceptueel. Hij creëert mooie poëtische beelden vanuit zijn concept, maar het idee van de bouwmodules die op verschillende schalen ingezet kunnen worden om allerlei architectonische ideeën te becommentariëren, dreigt soms de overhand op de uiteindelijke beelden te krijgen.
De toekomstige ontwikkeling van het werk van Meijers lijkt minder vragen op te werpen. Hij werkt minder conceptueel, meer vanuit de onderbuik. Hij put inspiratie uit kunst van outsiders, kunstenaars die zich niks aan trekken van de gewoonten in de kunstwereld. Omdat hij zelf academisch geschoold is en ook veel exposeert is hij zelf geen outsider te noemen, maar hij heeft wel bewondering voor hun manier van werken. Zijn ontwikkeling zit in zijn ervaring met zijn materiaal die tot meer verdieping moet leiden. Ook hier raken de beide kunstenaars elkaar. Want ook in het werk van Van Bergen kun je ontwikkeling door de ervaring met zijn materiaal herkennen. Je ziet de ontwikkeling in de materiaalbeheersing. Zijn werken worden steeds perfecter. Het proces van het maken wordt steeds onzichtbaarder en daarmee komt het conceptuele aspect van het werk meer op de voorgrond.
Het werk van beide kunstenaars ligt ver uit elkaar, maar ze houden zich ook met hetzelfde klassieke thema van orde en chaos bezig. Beiden weten ze dat teveel orde saai en teveel chaos onleesbaar wordt. Ook functioneren ze beiden in dezelfde kunstwereld. Door de verschillende visies op de verschillende thema’s uit de kunst met elkaar te confronteren, krijgen we niet alleen een helder beeld van deze twee kunstenaars maar worden ook deze thema’s zelf op scherp gezet. Beide kunstenaars komen uit de verf door de confrontatie.
Jeroen van Bergen en Rik Meijers (Bonnefantenmuseum, Maastricht, t/m 3 juli 2011)
Dit artikel is geschreven voor de cultuurkritiek website ZwartGoud
De eerste schetsen uit 1988 voor het Maastrichtse stadsdeel Céramique tonen een Ramblas-achtige levendigheid. Tweeëntwintig jaar later, nu het laatste gebouw is opgeleverd en de wijk formeel voltooid is, wordt het stadsdeel door velen als saai ervaren. Club Céramique toont de dromen en de weerbarstige werkelijkheid.
In het kader van de manifestatie Club Céramique maakten Anuschka Blommers en Niels Schumm foto’s van bewoners in hun interieur, deze zijn in de openbare ruimte van de wijk te bezichtigen – foto Dennis Hambeukers
Op het voormalige terrein van de Maastrichtse aardewerkfabriek Société Céramique is een 23 hectare nieuw stadsdeel gerealiseerd op basis van een masterplan van de toen 38-jarige Jo Coenen. In de wijk vind je gebouwen van wereldberoemde architecten als Aldo Rossi, Álvaro Siza en Mario Botta naast gebouwen van Maastrichtse architecten als Wiel Arets, Jo Coenen, Jo Janssen en Arno Meijs. Céramique is een internationaal schoolvoorbeeld voor stedelijke vernieuwing, is een knap staaltje publiek-private samenwerking, heeft Maastricht op de architectuurkaart gezet, en trekt jaarlijks vele liefhebbers van architectuur en stedenbouw. Nu het laatste gebouw is opgeleverd en daarmee het stadsdeel formeel is voltooid, rijst de vraag wat de Céramique eigenlijk is. De toenmalige intenties van de ontwerpers botsen met de huidige realiteit. Of zoals een van de bewoners het verwoordde: “Je moet van Céramique niet iets proberen te maken wat het niet is.”
Het was de intentie van de ontwerpers om een mediterraan aandoende wijk te creëren en iets van het karakter van straten in het oude centrum op te roepen. Met hoogwaardige architectuur en stedenbouwkundige kwaliteit zou Céramique op een natuurlijke wijze aansluiting moeten vinden met de binnenstad. In de wijk zelf zijn winkels, culturele instellingen, een bibliotheek, cafés, supermarkten, een theater, kantoorgebouwen, appartementen en zelfs een restaurant met twee sterren gevestigd. Volgens de theorieën zijn alle ingrediënten aanwezig voor een bruisende woon-werk-winkel-culturele wijk met veel sociale interactie. De realiteit is echter dat het er erg rustig is, sommigen noemen het zelf saai. In tegenstelling tot de goede bedoelingen van de ontwerpers komt de wijk moeilijk tot leven. De slogan van woningverhuurder Vesteda voor Céramique is op dit moment dan ook ‘wonen in de luwte…’.
Hoe komt het dat Céramique maar niet tot leven komt? Heeft het met de samenstelling te maken – er wonen vooral bejaarden en kapitaalkrachtige hoogopgeleide dertigers? Zijn er voldoende onderlinge sociale contacten en activiteiten in de wijk? (Die blijken er nauwelijks te zijn.) En de hamvraag: staat het ontbreken van onderlinge sociale contacten en activiteiten de binding van de bewoners met de wijk in de weg? Ter gelegenheid van de voltooiing van de wijk, deed NAiM/Bureau Europa – zelf gevestigd in Céramique – onderzoek naar het sociale kapitaal van de wijk door zichzelf tijdelijk te transformeren tot clubhuis.
In ‘Club Céramique’ vinden tal van activiteiten plaats en maakt de bezoeker kennis met bewoners, de wijk en de verhalen. De bewoners van de wijk zijn door NAiM/Bureau Europa uitgenodigd om ideeën voor het clubhuis aan te dragen, ze worden ondervraagd naar hun beweegredenen om in de wijk te wonen, en worden op verschillende manieren geportretteerd. In Club Céramique vindt men ook achtergrondinformatie over het ontstaan van de wijk en gaan bewoners in gesprek met architecten van een aantal woongebouwen.
Tijdens een van die gesprekken – op locatie – ontmoetten de intenties en verwachtingen van de architect, in dit geval Jo Janssen, en de ervaring van de bewoners elkaar. De avond begon met een korte presentatie door de architect over de achterliggende ideeën en ontstaansgeschiedenis van het gebouw. Piazza Céramique is een van de recentere projecten in de wijk. In zijn ontwerp adresseert Janssen een aantal stedenbouwkundige kwesties die in de wijk spelen. Zo heeft hij geen gesloten bouwblok met een publieke binnentuin gemaakt, maar een openbaar plein dat door drie gebouwen begrensd wordt; Janssen ontwierp de twee appartementenblokken. Piazza Céramique oogt introvert en dit wordt versterkt door de atria die zich diep in de gebouwen bevinden en vanwaaruit de appartementen worden ontsloten. Janssen heeft met zijn ontwerp een eigen invulling aan het masterplan gegeven en heeft misschien wel het beste de genius loci van Céramique getroffen, meer een wijk waar mensen zich terug trekken dan bruisend en extrovert.
Al gauw bleek dat de architectonische fascinaties en concepten van de architect wel in het gebouw voelbaar zijn, maar dat de finesses daarvan buiten de belevingswereld van de bewoners vallen. Het gesprek ging al snel in de richting van de afwerking – in de klachten over de afwerking van het gebouw konden de bewoners en de architect elkaar wel vinden, maar de mogelijkheden voor de architect om hier iets aan te toen tijdens de bouw zijn in het huidige systeem beperkt – en de mogelijkheden voor sociale activiteiten en interactie. Het waren voornamelijk de oudere bewoners van Piazza Céramique die naar de bijeenkomst waren gekomen. Pogingen van hen om een sociale activiteit in de semi-publieke ruimten van het gebouw te organiseren, bleken te stranden op de tegenwerking van de andere bewoners en Vesteda, de eigenaar van het gebouw. De andere bewoners vinden het niet goed dat er vreemden in het gebouw komen en Vesteda wil niet dat het gebouw beschadigd raakt. De activiteiten in het tijdelijke clubhuis van NAiM/Bureau Europa lijken dus een uitkomst, maar of het een effect op langere termijn sorteert is afwachten.
Club Céramique bevraagt het effect van architectuur op de ontwikkeling van sociaal kapitaal. Architecten en stedenbouwkundigen kunnen van alles bedenken, maar het eindresultaat ontwikkelt zich uiteindelijk buiten hun invloedssfeer. De bruisende intenties in de eerste ontwerpen zijn in ieder geval nog niet gerealiseerd. Temidden van de vele loftuitingen op de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten van Céramique, legt het clubhuis in ieder geval de vinger even op een zere plek.
De tentoonstelling ‘Club Céramique’ is georganiseerd door NAIM/Bureau Europa.
Deze recensie in geschreven voor ArchiNed.
Review: Exhibition Kim Zwarts, BenC Gallery, Alexander Battalaan 51, Maastricht 2011.02.27-2011.04.15
What is the human condition? We are stuck somewhere between nature and culture, between not knowing and knowing. We different from the rest of nature because we are equipped with the consciousness to reflect on nature and on ourselves. But this consciousness doesn’t allow us to fully comprehend the world. What remains is the drive. The drive to get to know the world, to get to know the human condition. There are two ways to investigate the human condition: art and science. Art is the way of Kim Zwarts.
Kim Zwarts has been a student of human nature for many years now. He is an internationally acclaimed architecture photographer. He has been photographing the products of human nature for over 30 years. Architecture is a really good, although indirect, way to study human nature. Architecture is the most tangible expression of humanity. It is the expression with the most day to day impact. Other arts, like painting, are also expressions of humanity, but they lack the everyday impact. We are surrounded by architecture most of the time. And when we are not surrounded by architecture, we are surrounded by nature. It can be ‘real’ natural nature of cultured nature. Nature is things that grow in a certain way, have a certain structure, material and color. What Kim Zwarts tells us in his’ US.2009/2011′ photo series is that urban landscapes and natural landscapes are basically the same. The confrontation between the images of nature and of urban landscapes is very expressive. Both are constantly growing and changing in a way that is not controlled by anybody. Cities and nature have to grow, you cannot design them as a whole. There are interventions by city planners and landscape designers, but the final urban landscapes are guided by forces beyond our control. We could call these forces nature. So nature is also at work in the urban landscapes. Human nature.
Maybe this is also true for good individual buildings, maybe they have to grow as well. Maybe a good building grows from the interaction between the architect and the building. Or as Geert Bekaert puts it: “The work conceives and makes itself and the architect helps it to come into the world.”
Architects are obsessed with their buildings. In architecture photography it’s mostly about making this one building look as cool as possible. The place in the fabric of the city, people using the building, the building in bad weather and imperfect angles are not really popular with architects. But the reality is that there is no architectural masterpiece on every street corner. Most of the time the urban landscape is filled with nondescript anonymous buildings guided by other principles than our contemporary ideas of architectural beauty. They are not necessarily ugly, but they represent a different beauty than the one we find in architectural magazines and books. It’s a bit like the difference between the photoshopped supermodels you see in magazines and normal people on the street. Zwarts’ photos in the ‘US.2009/2011′ series compare to glossy architecture photos in the way Rineke Dijkstra’s photos of everyday people compare to glossy supermodel photos. The photographs are still extremely aesthetic and stylized, but they show a different beauty, a more everyday beauty of the world around us. A beauty that is more touching. A beauty that is closer to us. A beauty of the ordinary. Through the artistic qualities of the photographer the ordinary is elevated to the sphere of the monumental. Somehow seeing beauty in everyday life seems more valuable.
There are no people in the photos of Kim Zwarts. Solitary cars and trees live in his pictures. Sometimes they stand in little groups, but most of the time they are alone. The absence of humans can be felt. You know they must be somewhere, but you cannot see them. The architecture is free of human beings so we don’t reflect on the individual humans but on humanity as a whole. We examine humanity by its footprints, by the marks it leaves.
The nice thing about great art like Kim Zwarts’ is that is not only for looking at, it also gives you new eyes to look at things anew.
Kim Zwarts: Phoenix \ 07.03.2010
Architecture doesn’t tell stories. It is the backdrop for stories, personal stories, personal projections. For me architectural images are an answer to argument between Mondriaan and van Doesburg. The painters Mondriaan and van Doesburg got into a big fight about whether lines in a Neo-Plastic painting should be limited to horizontals and verticals. Mondriaan was on the 90 degree position and van Doesburg believed that lines in 45 degree angles were the true modern way to go. The argument was so fierce between them that Mondriaan left De Stijl. Art history told us that Mondriaan was the most right. Mondriaan and van Doesburg wanted to make a truly abstract image without any depth or space. Their efforts told us that a painting without depth is impossible. Colors have their own spatiality and even Malevich’s black square has depth. So an element of figuration is always present. Architectural images combine the best of both worlds. Through the play of lines abstract compositions of planes are created, while still being figurative in the sense that they depict real objects, figures. I think in the end the perspective line of architecture is a great answer to Mondriaan and van Doesburg’s argument. The perspective line creates the planes needed for abstract compositions while still connecting to reality and the way we perceive it normally. The perspective line is between the 90 and the 45 degrees of Mondriaan and van Doesburg. The perspective line is actually a horizontal line, tilted by the force of perspective. The way the perspective lines work to create great compositions can be seen in the ‘US.2009/2011′ series.
Kim Zwart’s urban landscape images also connect to the paintings of Mondriaan because of his use of color. Zwarts images are in greyscales for the most part. This links to the black and white base of Mondriaans paintings. Certain parts are accented by colors to create an extra layer of spatiality. They almost look like they are colored in like Mondriaan used to color particular planes to bring the composition to life.
Finally Zwarts and Mondriaan share a fascination for trees. Mondriaan came to his famous abstract style by creating different versions of a tree. In several iterations he translated the structure in nature, in the tree, into a structure for abstract compositions. A similar fascination for and dialogue between the structure in nature and abstraction can be seen in the work of Kim Zwarts.
Niki De Saint Phalle – Schunck* Heerlen – tentoonstelling ‘Outside In’ – 26.02.1011 t/m 19.06.2011
Niki de Saint Phalle (Geboren als Catherine Marie-Agnès Fal de Saint Phalle in 1930 in Frankrijk, gestorven in 2002 in de VS) is een veelzijdige kunstenares waarvan de kunst heel dicht op haar leven zit. De meeste kunstenaars zijn nauw betrokken bij de inhoud en vorm van hun werk, maar bij Niki is het wel extreem persoonlijk: de kunst was haar redding en werd uiteindelijk haar dood. Ze begon te schilderen als onderdeel van haar herstel op een psychische inzinking en overleed als gevolg van het inademen van de schadelijke polyester-dampen die vrijkwamen bij het maken van de nana’s waar ze wereldberoemd mee is geworden. Via het afreageren van persoonlijke frustraties komt ze uiteindelijk uit bij het universele thema van de vrouw als godin terecht.
Niki is geboren in Frankrijk maar verhuist op 7 jarige leeftijd naar New York. Na de middelbare school gaat ze als model werken. Haar foto’s verschijnen in bekende modebladen als Vogue en zelfs op de cover van Life Magazine. Op 19 jarige leeftijd trouwt ze en 2 jaar later wordt haar dochter geboren. Weer 2 jaar later wordt ze opgenomen als gevolg van een psychische inzinking. Ze was eerder al mondjesmaat begonnen met schilderen en nu helpt het schilderen haar over haar inzinking heen te komen. Daarom besluit ze om vanaf nu kunstenares te worden.
Ze is autodidact en haar eerste werken zijn eenvoudige schilderwerkjes en collages. In de tentoonstelling in Heerlen kun je zien dat de kiem van haar latere thematiek er wel al in zit: agressie en liefde. Het eerste werk van de tentoonstelling toont een kleurig landschap met een eenzaam klein meisje erin, omringd door grove, agressieve verspatten tegen een zwarte lucht. Het werk is ongeveer voor de helft zwart en voor de helft kleurig en de centrale figuur is een meisje met een rode jas. Hier gaat het net als in al het werk dat zal volgen om de combinatie van Niki zelf, agressie en liefde.
Het eerste werk in de tentoonstelling in Heerlen
Na de periode waarin ze schilderijen maakt die haar helpen bij het herstel van haar psychische inzinking volgt een periode waarin ze op agressieve manier afrekent met haar jeugdtrauma’s. Ze is in haar jeugd misbruikt door haar vader en om dit te verwerken maakt ze objecten – die bestaan uit allerlei gevonden spullen met een gewelddadige boodschap als geweren, poppen zonder ledematen en doodskoppen – en natuurlijk de schiet-schilderijen. De schiet-schilderijen maakt ze door zakjes met verf met gips op witte dragers te bevestigen en met een geweer kapot te schieten zodat er kleurige verf over de objecten druipt. Deze werken zijn het resultaat van een ultieme daad van afreageren van agressie: lek schieten. Ze zijn het overblijfsel van een performance waarbij ze zich graag laat fotograferen als een soort bond-girl met een groot geweer. De schilderijen bloeden verf. Ze doen zijdelings denken aan de drip paintings die Jackson Pollock eerder maakte, maar de verf heeft hier een heel andere lading. Waar Pollock met de verspatten een abstracte ruimte schept, maakt bij de Saint Phalle de druipende verf het onschuldige wit smerig. De werken zijn niet mooi, maar lelijk en pijnlijk. De geroofde onschuld druipt ervan af. De felle kleuren op het onregelmatige, met objecten beplakte, witgekwaste oppervlak hebben een intensiteit die ze later in haar nana’s zal gebruiken. De kleuren die ze gebruikt zijn in principe vrolijk, maar in deze werken huilen ze. In de latere nana’s worden de kleuren weer vrolijk.
De schiet-schilderijen en collages zijn nog nu nog vrij abstract, maar daarna volgt een periode waarin ze met de gevonden voorwerpen figuratiever gaat werken. In de tentoonstelling zijn vrouw-figuren te zien die bestaan uit en beplakt zijn met de agressieve objecten die al eerder gebruikte. Maar doordat ze samen vriendelijker ogende figuren vormen is de scherpe rand er vanaf. Er is bijvoorbeeld een groot hart en een grote witte bruid te zien in Heerlen. De objecten worden ook niet meer beschoten en zijn veelal gewoon wit. Met die vrouw-figuren gaat ze verder en ze begint de eerste aanzetten tot de nana’s te produceren. Ze bestaan nu nog uit jute, stof en draadstaal en zijn lichtjes beschilderd.
Naast haar sculpturale werk maakt ze ook cartoon-achtig grafisch werk, tekeningen waarin de nana’s beginnen op te duiken. De harde klare lijn en kleurgebruik in vlakken van haar grafische werk komt uiteindelijk ook in de nana’s terecht. In Heerlen zijn een aantal mooie dagboek-achtige tekeningen te zien waarop de nana’s staan, omringd door mooi versierde persoonlijke teksten over haar angsten, frustraties, liefdes en ideeën. Hierop kun je lezen dat ze voortdurend zoekt naar de artistieke middelen om deze dingen uit te uitdrukken. Hierop staan bijvoorbeeld overwegingen over kleurgebruik en wat daar de betekenis van kan zijn.
Dagboek-tekeningen in de tentoonstelling in Heerlen
Liefde en agressie worden op een steeds vriendelijkere manier gecombineerd. Dit resulteert uiteindelijk in de nana’s waarmee ze definitief doorbrak in de kunstwereld (ze ontdekt de figuur nana in een roman van de Franse schrijver Emile Zola) . Het kleine meisje van het eerste schilderij in de tentoonstelling is uitgegroeid tot een godin die het goede en het kwade verzoent in een triomf van vrouwelijkheid. De nana’s zijn een nieuw soort vruchtbaarheidsbeelden. Ze blazen de vruchtbaarheidsbeelden van oude beschavingen van duizenden jaren geleden nieuw leven in. Vrolijk dansend, of liggend met water dat uit de borsten spuit weerspiegelen ze de kunstenares als een blije bevrijde vrouw waarvan de kunst als therapie afgerond is. De patiënt is genezen. Het persoonlijke in het werk is positief, de kleuren zijn weer vrolijk en de agressie heeft plaats gemaakt voor liefde. Ze maakt overal ter wereld in de openbare ruimte haar grote nana’s. Soms zijn ze zelfs zo groot dat we ze architecturaal kunnen noemen. Er was al eerder haar ‘hon’, een grote nana waar je in kon en waarin allerlei ruimtes zaten die je kon betreden via de vagina als ingang. Later maakte ze meerdere grote nana’s als architecturale follies (follies zijn architectonische bouwwerken zonder functie). Ze voegt hiermee een idee over architectuur als lichaam dat je betreedt toe, waarmee het binnengaan van een gebouw wordt gekoppeld aan het binnengaan van een vrouw, waar we uiteindelijk ook allemaal uit zijn gekomen. Geïnspireerd door Gaudi maakte ze organische architectonische werken en uiteindelijk realiseerde ze haar droom van een eigen beeldentuin in Toscane met haar eigen beelden. De toegang van die tuin werd overigens door een andere bekende archtect, Mario Botta, gemaakt, waarmee ze later nog aan een project over de ark van Noah werkte.
Het einde van het verhaal is dat als de patiënt genezen is, het maken van de nana’s uiteindelijk haar dood wordt. Ze experimenteert met polyester bij het maken van de nana’s en de dampen die daarbij vrij komen maken haar ziek en worden haar uiteindelijk fataal. Zo blijft haar leven op intense manier verbonden met haar kunst. Door de tentoonstelling in Schunck* Heerlen krijg je een blik op wat er achter de beroemde nana’s zit. We krijgen de binnenkant van de nana’s te zien. De tentoonstelling heet dan ook terecht outside – in. Bij binnenkomst van het Schunck* Glaspaleis zie je eerst de nana’s en in de kelder van het gebouw begint de reis die je meeneemt in de ontstaansgeschiedenis, naar de duistere binnenkant van de wereldberoemde vrolijke beelden.
Omdat haar leven zo verweven is met haar kunst is op de eerste verdieping een hele ruimte ingericht met gegevens over haar levensgeschiedenis. Het zijn wel een beetje te veel gegevens om te verwerken en daarmee om te verbinden aan de ontwikkeling van haar kunst. Veel details over haar leven zijn niet zo ontzettend relevant en door de grote hoeveelheid bestaat de kans dat je het overzicht verliest en de koppeling met haar werk niet meer kunt maken. Aan de andere kant maakt de grote hoeveelheid gegevens het wel mogelijk dat ieder zijn eigen verhaal kan maken door er die dingen uit te pikken die aansluiten bij de eigen beleving van de kunstwerken. De kunstbeleving wordt immers niet meer bepaald door de objectieve kunsthistorische analyse, maar door de projectie van de persoonlijke geschiedenis van de bezoeker in de openheid die de kunstwerken bieden. De kunstwerken vormen een leegte die we, geholpen door aanknopingspunten in de persoonlijke geschiedenis van de maakster, kunnen vullen met onze eigen gedachten.
Zondag 27 februari opende in de BenC Gallery in Maastricht een tentoonstelling met werk van Kim Zwarts. Deze expositie toont voor het eerst een serie foto’s die hij van 2009 tot en met 2011 maakte tijdens zijn reizen naar de Verenigde Staten en daarom de titel ‘US.2009/2011′ kreeg.
Kim Zwarts (Maastricht, 1955) kreeg zijn opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Maastricht. Tegenwoordig is hij een internationaal gevestigde naam op het gebied van architectuur-fotografie. Hij fotografeert onder andere voor internationale grootheden als Morphosis (VS), maar ook voor Limburgse architecten als Wiel Arets, Jo Janssen en Bruls en co (BenC Gallery is een initiatief van architectenbureau Bruls en Co). Hij heeft meegewerkt aan boeken over architectuur, waaronder het boek over de Mexicaanse architect Luis Barragán, ‘The Eye Embodied’ (2007), waarvoor hij het complete oeuvre van de architect fotografeerde.
Misschien minder bekend is zijn autonome werk, zoals de serie ‘Palos Verdes’ (2003-2009) over een woekerende boomsoort die hij in Californië fotografeerde. Zwarts beperkt zich dus niet alleen tot gebouwen. Hij houdt zich ook bezig met de natuur, het landschap en de bebouwde omgeving. Hij noemt zichzelf dan ook architectuur- en landschapsfotograaf.
De manier waarop hij het natuurlijke en stedelijke landschap combineert maakt de serie ‘US.2009/2011′ erg interessant. Hij maakte ze tijdens een aantal recente reizen naar de Verenigde Staten. Zwarts is al jaren gefascineerd door dat land en reist er al bijna dertig jaar veelvuldig heen voor opdrachten en voor zijn autonome werk. ‘US.2009/2011′ is een terugblik op die periode. Voor die terugblik maakte hij geen overzicht van reeds gemaakte foto’s maar een nieuwe serie. Hierin onderzoekt hij hoe zijn reizen naar de VS zijn fotografie hebben beïnvloed.
De serie bestaat uit foto’s van stedelijke omgevingen (Los Angeles en Las Vegas), van natuurlijke omgevingen (stranden en bossen) en foto’s waar zowel het stedelijke als het natuurlijke op voorkomen. Hij lijkt de beide landschappen gelijk te behandelen. Als ze naast elkaar hangen gaan de stedelijke gebieden een dialoog aan met de natuurlijke; ze vertellen ons dat er in beide elementen eenzelfde groei, ontwikkeling, structuur en schoonheid zit.
Las Vegas (foto: Kim Zwarts)
De foto’s van Kim Zwarts hebben een bijna virtuele, onechte, bevroren kwaliteit. Ze zijn geen afbeelding van de realiteit, maar scheppen hun eigen realiteit. Ze stijgen uit boven wat er afgebeeld wordt, waarbij het gaat om artistieke elementen als compositie, kleur en ritme. Door het veelal ontbreken van harde schaduwen en doordat de beelden van voor tot achteren scherp zijn, hebben ze een platheid die meer aan schilderijen dan aan foto’s doen denken. Herinneringen aan de verstilde beelden van de schilder Edward Hopper komen naar boven. Zwarts gebruikt de kleuren op reclameborden, bewegwijzering, en de waterkranen voor de brandweer, zoals een schilder de kleuren op zijn palet gebruikt. Het gaat niet om de gebouwen die op de foto’s staan. Die zijn ondergeschikt aan de compositie die Zwarts ermee wil creëren. De kleuren die hij vindt in de omgeving zet hij in om de compositie tot leven te brengen. Net als goede schilders maakt hij van het alledaagse iets monumentaals.
Hoewel Zwarts vaak conceptueel te werk gaat, zijn zijn beelden dat niet: je hoeft geen concept te lezen om de foto’s te waarderen. Hij gebruikt het concept op een goede manier: als creatieve kracht binnen het werk en niet om de kijker lastig te vallen of ontbrekende, beeldende kwaliteit te verdoezelen. Het is gewoon heel goede bééldende kunst en dat is een welkome afwisseling op de vaak met concepten en teksten omkleedde tentoonstellingen die je tegenwoordig vaak ziet.
Die beeldende kwaliteiten komen voor een deel voort uit de werkwijze die Zwarts hanteert. Hij maakt de meeste foto’s vroeg in de ochtend, wanneer er nog geen mensen op straat zijn en het licht gefilterd en diffuus is. Dit zorgt ervoor dat alle onderdelen van het beeld evenveel aandacht krijgen. De luchten hebben vaak dezelfde kleur als de gebouwen. De scherpte van de beelden en de strakke rechte lijnen weet hij te bereiken door het gebruik van een grote technische camera.
De manier van afdrukken en presenteren zijn belangrijk voor de ervaring van de foto’s. Veel van de beelden uit de tentoonstelling zijn ook op internet te vinden, maar de meerwaarde van het daadwerkelijk kunnen zien van de beelden in de galerie, maakt een bezoek aan de tentoonstelling meer dan waard. Vooral de grote afdrukken zonder spiegelend glas zijn zeer indrukwekkend. Wat opvalt is dat de beelden er heel actueel en modern uitzien.
Kim Zwarts gaat al een tijdje mee. Aan de frisheid van dit werk kun je zien dat hij een kunstenaar is die zich blijft ontwikkelen en vernieuwen.
De tentoonstelling met werk van Kim Zwarts is te zien in BenC Gallery, Alexander Battalaan 51, Maastricht t/m 15 april 2011
When you advertise an exhibition it’s a good idea to put the best piece of the show on the posters and banners. People get an idea what to expect and they are drawn in by the quality of the work displayed. This is what the Bonnefanten museum did for their exhibition of the B.A.C.A. prize winning Francis Alÿs. The best piece of the show is the large room covered with only colored floor-mats containing a ’sssssh, be quiet’ symbol. Alÿs is a Belgian artist living in Mexico City. The main theme of Alÿs’ work is discussing society and the place art takes in it. To visualize this he pushes a block of ice around town until it’s melted or he asks 500 people to move a giant sand dune 4 inches using shovels. His work is shown in the most prestigious museums in the world including the MOMA in New York and the TATE in London. And now also in the Bonnefanten in Maastricht, Holland. So I guess questioning whether this is a great artist is pretty much out of the question. But discussing his theme, society and the place of art in it, starting from his own work isn’t.
Videotaped performances of artist doing all kinds of crazy stuff are not uncommon in the current art world. Questioning what art is and what is not has been around for countless years as well and is an endless discussion. Art is what the artist does. Questioning whether pushing a big block of ice around until it’s melted is art is only the first layer of Alÿs’ work.
Francis Alÿs is trained as an architect, so looking at his work through the theme of space is not far fetched. In his own words at the Bonnefanten museum he explained that his works when he started to live in Mexico City are about exploring the space. He was in an unknown place and didn’t comprehend this place. He made artworks from the motivation to understand the Mexico City. You can replace Mexico City with any place, even with the world in a more conceptual way. If the art is good the personal exploration of his immediate space becomes an exploration of man’s space in the world. The hyper personal becomes universal.
Pushing a block of ice through the streets of a town is not only about pushing a block of ice through the streets of a town. This is just a subject for the piece, like Rembrandt uses his own head as a subject. In the case of Rembrandt it is more interesting to see how he paints his own head, that actually seeing what his head looks like. Conceptually, the pushing of a block of ice until it’s melted trough a city as a subject is about as interesting as painting your own head. When you paint a head, you know what you are going to see: a nose, lips, eyes etc arranged in a way we are accustomed to. When you deviate from the normal arrangement (lik Pablo Picasso or Francis Bacon) this immediately becomes important. When you stick with the normal arrangement of a head the importance goes to the way you paint it. The pushing of a block of ice contains the same information as a head: the viewer knows what to expect. If the temperature of the surrounding space is warmer than the temperature of the ice, it is eventually going to melt. In Alÿs’ video we can deduct the temperature of the surrounding space from his outfit: he wears short sleeves, and from the shadows: the sun is shining. So it’s fairly warm and the ice is gonna melt at a certain speed. And when you push a block of ice around and it melts, the pushing is going to get easier. So immediately at the beginning of the movie you already know what you are going to see.
For a moment you wait for some kind of joke to happen, but this doesn’t. A joke would be a bad solution because then it’s just about whether the joke is funny or not. So you’re watching minutes of boring action, there is no information in the movie after 10 seconds, but it goes on for about 5 minutes. The artist has mercy on the viewers. The actual melting took longer than 5 minutes (I read somewhere that it took 9 hours actually) and he made some cuts in the movie to not bore the viewer too long (like Andy Warhol did in the hours of film about the Empire State Building or people sleeping).
So the melting ice is a subject. Because you already know what is going to happen to the person and the block of ice, the focus shifts to the subject that delivers new information. This subject is the place: Mexico City. Francis is exploring the place. He is just walking around town getting to know the place, acquiring a feeling for the space. Both subjects separately are not so interesting. He had to put them together to make it work. Space is an abstract concept. If you want to depict space you have to find something to attach it to. You have to work indirectly. Architects always have to work indirectly. The title of the piece “Sometimes making something leads to nothing” is a direct reference to the work of architects. Architects create space, they create nothing. To create space they have to create walls and roofs. So they create something to create nothing, space. In the video Francis uses a geometric shape, a shape that architects love. By using a geometric object (a block of ice) you get a (Donald Judd-like) sense of proportion that relates to the size of the surrounding space. Like a sculpture in a room can define the size of a room. The block of ice is also a sculpture. And it’s sculpted by natural forces that are guided and used by the artist like Jackson Pollock does in his drip paintings. And we could go on and on about different meanings and layers of the art piece. This is where the best piece of the show in Maastricht comes in: “Silencio”:
The installation of the colored floor-mats in the big exhibition space is the first time this installation has been installed in its totality. At the time of the exhibition in Maastricht, there are other exhibitions of Francis, but Maastricht is the place where the floor-mats are installed. The floor mats show a sign that says: ’shhhh, be quiet’. The great thing about it is that is makes this space they are in look great. The piece draws attention to the spatial qualities of the room created by Aldo Rossi. With this installation the spatial awareness is enhanced. When there are paintings on the wall, the room takes a step back to showcase the paintings. When the room is totally empty, it’s just a big empty room. A room needs objects. A room asks for objects. Objects complete a room. What is showcased with this piece however is that color can change the spatial qualities of a room. The whole spatial fabric can be altered by adding colors. This is obvious in Sol Lewitt’s wall drwaing #801, ‘Spiral’, that is installed right now in the Bonnefanten Museum. But the same forces are at work in this installation of floor-mats of Francis Alÿs. The colors and the grid that the installation creates structures and amplifies the spatial experience. The installation works with the room to create a new feeling of space.
Of course you have to be quiet to really experience this piece of art, any piece of art for that matter. That’s why there are be-quiet-signs on the mats. The visitors of the museum are silenced. Or does it have something to do with the things the people from the Bonnefanten say about art? There is a gap between art and the public, but maybe the artist is saying that the things the Bonnefanten Museum makes up to make the art seem more interesting is only widening the gap. Maybe he is saying that the ability of the public to see is underestimated.
Take a look at Francis Alÿs’ video of the block of ice below:
The exhibition of Wiel Arets, Stills in Schunck* Heerlen, has two faces. It’s made up of four parts. The first part is an exhibition in the cellar of the Glaspaleis and shows photographs, models and presentations of projects on Imacs. The second part is on the first floor and shows video interview portraits of Wiel Arets on various subjects, filmed on various locations, shown on Imacs. The third part in in the staircase and shows Wiel’s inspirations in small photographs and small texts. And the fourth part is in the display window and shows products designed by Wiel. You can divide the exhibition in two parts: one part about the buildings and products and one part about the person behind the designs. One part is very successful in telling the story, one part is very unsuccessful.
The successful part is the part about the person behind the designs: Wiel Arets. In a series of wonderful and well executed video portraits by George Vogelaar, accompanied by a great soundtrack, we get to know more about the thinker Wiel Arets. He shares his thoughts on architecture, education and life in general while being filmed in HD on great locations ranging from his own house to Tokyo to Berlin to Heerlen. We don’t get to see the knowledge of Wiel Arets, but his thinking about things. Every minute of it is inspiring and fascinating. He speaks about the three things that are necessary to be a good architect: you have to weave your identity into your work, you need to master the craft of turning ideas into projects and you need to be able to sell your ideas. And that is exactly what he does, Wiel Arets sells us Wiel Arets, in a good way.
In the basement, where the exhibition of his architecture is, nothing is sold. The material I was looking forward to see: the superbly skillful architecture drawings from the early days with Wim van den Bergh and the magnificent photographs by Kim Zwarts. They were sort of there, but the presentation was so bad that even the good images were killed. The choice of images, the printing, the size and composition of the presentation did not sell the projects, to say the least. There were also Imacs with animations about different projects. They didn’t posses any cinematographic quality. They didn’t sell anything either. Neither did the models. The only thing that worked in the basement were the A3 size booklets on various projects. In these booklets the photographs looked good. On the wall they didn’t. There is no story, no concept that works. The title of the exhibition, ‘Stills’, tells us that the curators wanted the viewer to stand still and take the time to reflect on the projects. Well, that’s the goal of any exhibition I guess. But here there is no still. There is just a chronologically ordered row of images the size of a decent coffee table book. Why would anyone want to go to a gallery to see exactly what you can see in any book on Wiel Arets, in the same quality, in the same size, in the same order? I’ve seen how good photographs of Kim Zwarts can look, if they are printed en presented well at Jo Janssen’s exhibition in Eindhoven in 2008. At Janssen’s show you could also see how a model can work if it is presented next to sections and plans. At the Stills show the models are lost, presented as sculptures, which they aren’t. Wiel speaks to us about the cinematography of good architecture in his video portraits. In the exhibition in the basement I couldn’t find any of that. For the first time the space on museum level -1 looked bad. One of the best things about the current Francis Alÿs show in the Bonnefanten is the room with the colored floor mats on the floor (read my article on the Alÿs exhibition). Because of this intervention you could see the spatial quality of Aldo Rossi’s room. The same goes for the ‘Spiral’ mural by Sol LeWitt in the museum’s tower. The exhibition in the Glaspaleis shows us what an uncomfortable space the basement really is.
Wiel Arets is a good architect. His feeling for concept, space and material are great and can be experienced in his buildings. The problem for any architecture exhibition is to communicate the architectonic experience. This is a hard task. You have to visit the projects to to this. There have been successful solutions to this problem and hopefully there will be more in the future. The exhibition must add something to the experience of visiting the projects. It must show you something new. It must show you something worth the trip to Heerlen.
When I walked into the Kröller-Müller museum last friday I saw the sticker on a window near the cafeteria announcing an exhibition by Gilbert and George. I’ve seen work by Gilbert and George on many occasions ranging from the local Bonnefantenmuseum to the Biennale in Venice. When I think of Gilbert and George I think of large foto/silkscreen/collages. I like their bold, colorful and graphic work, but I wasn’t very excited to see the same work once more. But the title of the show (’The Paintings’) lured me in. Aside from the painterly qualities of their fotocollage works, I didn’t know the duo as painters.
Imagine my surprise when I walked into the exhibition room to find an installation of fascinating large tryptics of the two sophisticated men in suits in romantic natural settings. Also the architecture – the shape and size of the room and the fact that there is a large window in the exhibition room framing a piece of the surrounding parc like an extra painting of nature – attributes to the experience.
Gilbert and George are performance artists even more than they are fotocollage artists. Their whole public life is a performance, that is their art: the way they dress, talk, live, act. Gilbert and George just sitting somewhere is art, is a sculpture. Just as other artist use paint or video as a medium Gilbert and George use living as their main medium. The fotocollage works, they are famous for, reflect their ideas and enable them to produce their main art works: living as Gilbert and George. The Paintings (with us in nature) form a transition in their work. In art school, where they met, they decided that they were going to be ‘living sculptures’. But in order for the work in this ‘medium’ (life) to succeed they needed another medium, some tangible works they could produce, some ‘work’ to complement ‘life’. For the ‘life’ medium performances to be seen they had themselves filmed and photographed. The Paintings (with us in nature), produced when they were fresh out of art school, are a first attempt at finding a process to make tangible works of art, something they could call work. They are a first translation of their performances into a different medium: paint. They are paintings made from photographs they had made while being ‘living sculptures’ in nature.
They chose a traditional medium and a fairly simple translation. After these paintings they took a different road: they started to use photographs in collages. These are far more direct and harder than the paintings, far more suitable to depict their fascination with controversial and radical themes. The distance between their works as ‘living sculptures’ and the bold fotocollages gave them enough space to develop and perfect both. The Paintings (with us in nature) are in the middle of this space in their oevre. They also speak of the relation between photographs and painting. Since the uprising of photography, one response of painters was to use photographs as the basis for their paintings. When an image is translated from a photograph to a painting, something happens. The laws of photography are different than the laws of painting. Painting from a photographs is also different than painting from life. The tension that can be created from this line of transformations (life – photograph – painting) is a strong force in modern day painting. In this light it’s fascinating to look at the way Gilbert and George did this. They did it with romantic directness and fun. You can see they enjoyed doing it, without pretense, without trying to be painters, just as a natural extension of their being. The paintings exude an honesty and directness in dealing with the tradition of painting while searching for a medium to work in. Because the success of their work as ‘living statues’ depends on the success of their other works (the fotocollages). They can be Gilbert and George better if they are famous, earn enough money, have openings to go to etc. They work in two media and both media enhance each other.
19.01.2012 Presentatie van het jubilieumboek Bond Heemschut in Gouvernement met daarin 3 foto's van monumenten die ik maakte: Kopermolen Vaals, Klooster Partij en Abdij Mamelis